Een ecosysteem voor creatieve ondernemers

Koenrad Van Cleempoel & Rob Cuyvers, Stijn Bollaert (Bilder)

C-mine in Winterslag (Genk) is de eerste steenkoolmijn in Belgisch Limburg die meer dan 25 jaar na de sluiting haar historisch patrimonium herbestemd ziet. Het is een succesvolle en innovatieve herbestemming met uitstraling tot ver buiten de eigen stad en regio. De centrale visie van het project is ambitieus: een omgeving creëren waar creatieve industrie optimaal kan floreren. Creativiteit en innovatie worden gezien als de nieuwe hefbomen voor de maatschappelijke ontwikkeling in het voormalige mijngebied. De opeenvolgende nationale en internationale prijzen tonen aan dat deze - weliswaar gedurfde - omslag van een zware industriële invulling naar een creatieve site de juiste is. De herbestemming van C-mine vertrekt niet alleen van een heldere visie maar laadt deze op met een sterk stedenbouwkundig en architecturaal verhaal. Vanuit het geheugen en de narratieve kwaliteiten van de site en de oude gebouwen is Belgiës meest markante herbestemmingsproject gerealiseerd. Rond een centraal plein wordt ingezet op 4 domeinen: educatie, recreatie, innovatie en cultuur.

In 2010 krijgt Genk van de Vlaamse minister van stedenbeleid met C-mine de “Thuis in de stadprijs”, als voorbeeldproject voor stedelijke ontwikkeling. De sterke regie door de stad Genk is een belangrijke troef in de slagkracht van het project. Ook de Vlaamse monumentenprijs wordt aan de site toegekend. Het project geldt hierbij als voorbeeld van een geslaagd herbestemmingsparcours en hedendaagse erfgoedzorg. De internationale uitstraling en de hefboomfunctie voor het mijnpatrimonium voor de gehele Mijnstreek wordt als belangrijk element genoemd. Ook Europa erkent de dynamiek. In 2010 krijgt C-mine de EU RegioStars Award voor de beste brownfield-ontwikkeling. De volledige kostprijs bij realisatie is 75.000.000 euro. De middelen komen voornamelijk van subsidies van lokale, provinciale, Vlaamse en Europese overheden. Er zijn ook onderdelen herbestemd via publiek-private samenwerking. Een cultuurcentrum, bioscopen, horeca, een tentoonstellingsparcours, een innovatiecentrum, woningen en een hogeschool vormen een aantal van de ontwikkelingen op de site.

De site is sterk verbonden met de geschiedenis en de identiteit van Genk. Door de plek in te schakelen in een stedelijk beleid dat inzet op cultuur en creativiteit, wordt met respect voor het verleden gebouwd aan een nieuwe toekomst.

Bouwen voor Steenkool
Rond 1900 start men met boringen naar het ‘zwarte goud’. Het idyllische zandlandschap van Limburg, door Belgische schilders geprezen voor zijn natuurpracht en fraai licht, wordt het toneel van geologen en investeerders. In 1901 wordt op 541 meter diepte in Genk steenkool van goede kwaliteit gevonden. Er ontstaat een kolenrush en de mijnontginningen starten. Zeven mijnmaatschappijen worden opgericht, waarvan drie in Genk. Rond 1910 start de bouw van het gebouwencomplex: het centraal gebouw op de site wordt het energiegebouw dat zuurstof en luchtdruk in de mijn pompt; het regelt de ondergrondse luchtdruk. Het enorme bakstenen gebouw met stalen dakgebinten omvat gigantische compressoren en motoren die ook de kabels bedienden voor de liften in de schachten. Dit energiegebouw zal ook tijdens de herbestemming de ziel van het project blijven; het vormt de ruggengraat waarop het geheel van oude en nieuwe gebouwen zich zal oriënteren.

De vuistdikke kabels lopen uit het energiegebouw naar de twee schachttorens die als kathedralen boven het landschap uitsteken. Beide schachten met bijhorende schachtblokken vormen een belangrijke as door het gebied. Samen met de zwarte mijnterrils bepalen ze de skyline van het gebied.

Aan de ene zijde worden de directieburelen en de prestigieus uitgewerkte bad- en lampenzaal in een Vlaamse neorenaissance stijl gebouwd. Dit monumentale gebouw heeft haast Vitruviaanse kwaliteiten door de symmetrische raamverdeling en zijn klassieke gevelverband. Aan de andere zijde komt een bakoven met bijhorende gebouwen voor het afbakken van de Winterslagse baksteen met een restproduct van de kolen. Al deze gebouwen worden onderling verbonden via een systeem van bruggen, liften, tunnels en passerelles.

Naast de industriële site ontwikkelt men naar het Engelse ‘Garden City’ model, een tuinwijk voor de (gast)arbeiders, die voornamelijk uit Italië kwamen. De stedenbouwkundige ontwikkeling breidt zich verder uit met directiewoningen, scholen en een kerk tot de zogenaamde cité. Rond 1950 bereikt de productie een hoogtepunt met 6250 actieve mijnarbeiders. Maar twintig jaar later is steenkool niet langer de aantrekkelijkste energiebron en zet het verval zich door. De sluiting van de mijn in 1988 betekent een sociaal drama voor heel de provincie. Vanuit het centrale beleid worden reconversiemiddelen vrij gemaakt om duurzame oplossingen voor de regio te zoeken.
In 1993 worden elf van de oorspronkelijk 45 gebouwen op de lijst van beschermde monumenten geplaatst. In het energiegebouw worden ook verschillende interieurelementen beschermd, zoals de compressorenhal, de drie overgebleven ophaalmachines en de elektriciteitszaal of badenzaal. Het interieur van het centrale energiegebouw is rijkelijk afgewerkt met betegelde lambrisering van Hasseltse faience, gietijzeren smeedwerk rond de trappen en een opvallende rood-witte tegelvloer – allemaal elementen waarvan tijdens de herbestemming dankbaar en meesterlijk gebruik wordt gemaakt.

Herbestemming
In 2000 verwerft de stad Genk de site. De stad wil inzetten op een kwalitatieve herbestemming van de site, gekoppeld aan nieuwe werkgelegenheid in een toekomstgerichte sector. In opdracht van de stad maakt architectengroep De Gregorio en partners een masterplan. Er wordt gekozen voor 4 functies: creatieve economie, cultuur, educatie en recreatie. Het masterplan stelt een zachte restauratie met een groot respect voor de oude gebouwen voor, in combinatie met verschillende nieuwbouwprojecten.

In het hoofdgebouw aan de straatzijde wordt het eerste project gerealiseerd. In een publiek-private samenwerking wordt de voormalige bad- en lampenzaal omgebouwd tot een bioscoopcomplex met tien zalen en een café/restaurant. In een volgende fase worden een deel van verder op gelegen voormalige magazijnen verbouwd tot atelier, woning en tentoonstellingsruimte voor de internationaal gerenommeerde keramist Piet Stockmans. Zijn typisch wit-blauw porselein is voor de provincie Limburg al geruime tijd een voorbeeld hoe creatieve industrie een positieve en prestigieuze uitstraling kan betekenen voor een hele regio. Stockman’s oeuvre staat voor kwaliteit en een vorm van meesterschap die een eeuwenoud metier nieuw leven geeft. Zijn verhuis naar C-mine is een duidelijk statement.

Aan de overzijde van het bioscoopcomplex wordt een nieuwbouw gerealiseerd, de MAD-Faculty (Media, Arts and Design Academy). Deze invulling vormt opnieuw een cruciaal onderdeel in het reconversieproces van de site. Genk huisvest al langer een opleiding voor designstudenten, maar dreigt deze te verliezen door een verhuis naar de universitaire campus in het nabijgelegen Diepenbeek. Onmiddellijk begrijpt de stad dat de aanwezigheid van studenten essentieel kan zijn in de uitbouw van een creatieve hub. Alles wordt in het werk gesteld om dit te verhinderen en een gloednieuwe faculteit te bouwen op de C-mine site. Het strakke ontwerp van Bogdan en Van Broeck Architects is in 2010 de laureaat in de architectuurbiënnale van Boecharest. Het industriële karakter van de site vormt het uitgangspunt voor een nieuw type lesgebouw. De ruimtes stimuleren creativiteit en innovatie door gebruik te maken van een open studielandschap met optimale mogelijkheden tot ontmoeting en uitwisseling van ideeën. De tektoniek en de kleur van de gevel evoceren de matzwarte steenkool met zijn grillige vorm.
Achter de campus is een nieuwe woonwijk ‘Site21’ gerealiseerd en de paardenstallen worden nu gerenoveerd voor Painting with Light, een jonge onderneming van lighting designer Luc Peumans.

Het cultuurcentrum
De meest opvallende herbestemming is zondermeer de realisatie van 51N4E. Het enorme energiegebouw met zijn centrale compressorenhal wordt met enkele ingenieuze ingrepen opnieuw het hart van de site en het sluitstuk van het reconversieproces. Omzichtig en respectvol vormen de bestaande delen de basis voor moderne toevoegingen die er – zo lijkt het – met de precisie van een chirurgisch mes zijn ingezet. Het discrete contrast tussen oud en nieuw, tussen gisteren en vandaag, schrijft zich in in het geheugen van het gebouw, zonder zich op te dringen. Zoals een nieuwe laag van een palimpsest zal het ook zijn eigen patina krijgen.
Het originele T-vormig grondplan is in beide oksels wel uitgebreid met een programma voor een cultureel centrum: een grote en kleine theaterzaal met uitzonderlijk veel daglicht. In het gebouw zijn naast de klassieke faciliteiten ook enkele vergaderzalen, een tentoonstellingsgalerij, een designcentrum en een café/restaurant.

Het gevonden evenwicht tussen oud en nieuw toont zich reeds bij het betreden van het gebouw. Voor de deuren is een horizontaal kader toegevoegd – haast als een uitvergrote Donald Judd sculptuur– die niet enkel bescherming en geborgenheid biedt, maar ook fungeert als filter tussen binnen en buiten. De bezoekers komen zo op het gelijkvloers in een ruimte die voorheen de kelder was, maar nu werkt als centrale foyer. 51N4E plaatste vooraan een ontvangstmeubel, vervolgens de vestiaire en dan de bar, alles in het zwart. Dit gelijkvloers geeft toegang tot beide theaters en de expo-ruimte. Theater West is met ?? zitplaatsen het grootst, maar even interessant is het kleiner theater aan de Oostzijde met zijn roterende akoestische deuren. Eén originele centrale trap met gietijzeren smeedwerk en twee laterale nieuwe abstract betonnen trappen geven vanuit de foyer toegang tot de spectaculaire turbinezaal. De sfeer en beleving is overweldigend door het licht dat overal binnenstroomt en overvloedig over het haast surrealistisch interieur valt. Het dambordpatroon van de originele rood-witte tegels wordt overgenomen en ten overvloede herhaalt, tot op de buitenterrassen toe. Die spill-over van ruimtes geeft een moderne kracht en dynamiek. Op het terras aan de oostzijde is overigens goed te zien hoe het onderliggend theater zich verticaal ontwikkelt.
Architectuurcriticus Koen Van Synghel beschrijft de rol van het herbestemde energiegebouw als een as en de ruggengraat van een stedenbouwkundig concept dat naar analogie met het forum romanum, nu als een forum carbonium het hart vormt van een stadsontwikkeling. De uitstraling en culturele betekenis van het gebouw is alleszins groot. Als een magneet trekt het allerlei activiteiten aan. De faculteit architectuur is het gebouw bijvoorbeeld spontaan gaan gebruiken voor de juries van haar masterprojecten.

Creatieve industrie
Het concept van Richard Florida’s bestseller uit 2002: The Rise of the Creative Class, ligt aan de basis van C-mine’s beleidsprogramma: creatieve ideeën, eerder dan geld en machines, zijn de sleutelfactoren voor een economisch en maatschappelijk succes. Ook in Vlaanderen bestond hiervoor een kader onder impuls van Flanders District of Creativity, een brede koepelorganisatie die de belangen behartigt van muziek, film, mode en design, gaming, media, reclame, erfgoed, podiumkunsten, beeldende kunsten en architectuur. Door de verwachtingen rond innovatiekracht ook bij deze sector te leggen wil C-mine een creatieve hub ontwikkelen waar mensen in een ongedwongen sfeer in dialoog kunnen gaan met elkaar. Bovendien kunnen jongeren er nu een volledige cyclus doorlopen: startend bij een professionele designopleiding, dan experimenteren met het in de markt zetten van een product, het maken van prototypes om ten slotte zelfstandig ondernemer te worden. De stad zelf noemt C-mine een ecosysteem voor creatieve ondernemers.

51N4E
51N4E is een jong Brussels architectenbureau. De drie partners, Johan Anrys, Freek Persyn en Peter Swinnen hebben op korte tijd een gerenommeerd oeuvre neergezet. Projecten als C-mine, de Lamotsite in Mechelen, de TID Tower in Tirana zijn veelvuldig gelauwerd. Peter Swinnen is bovendien de huidige Vlaams Bouwmeester.

Anzeige