Shadow of a doubt

Paul Vermeulen

Het FRAC in Dunkerque heeft een in de architectuur zeldzame kwaliteit: het overtuigt onmiddellijk. Nog voor we het gezond verstand van de ontwerpers achterhaald en bekrachtigd hebben, dringt het oordeel zich al op: dit klopt. De vorm – de verdubbelde scheepsloods – is onontkoombaar. Dit overweldigend positieve vooroordeel heeft een beslissende voorsprong als de vragen opkomen. Dit succes illustreert van de doctrine van Lacaton & Vassal niet alleen de sterkte, maar ook de lacunes.
“Een transparante schaduw”: het is een goed gekozen woord waarmee de ontwerpers hun toevoeging aan een oude scheepsloods typeren. Een schaduw herhaalt de vorm, maar wist de bijzonderheden uit. De schaduw omlijnt, verhoogt het contrast, versterkt de perceptie van aanwezigheid – in het Frans présence – van het object. Maar de schaduw kan niet zonder het object. De schaduw is geen alternatief ervoor, geen minimalistische kritiek op de overdaad ervan, maar een optische strategie om de veelheid aan indrukken te structureren. Door het silhouet vooraf te nemen, houdt ze onze aandacht vrij voor de fijnere trekken van het object.

La cathédrale, de bijnaam van de scheepsloods, het overblijfsel van een voor stadsontwikkeling vrijgegeven scheepswerf, verraadt présence, maar versterking ervan kon ze wel gebruiken. Ze staat alleen met haar schaduw, van alle kanten zichtbaar, in een guur en groots stedelijk landschap. De nieuwe wijk bewaart enige afstand. De tegenspelers zijn landschappelijk en infrastructureel van schaal: het wijde dok voor de tewaterlating, het beeldenpark bovenop het Bastion 32, de brede geribde dijken van het Afvoerkanaal * dat uitgeeft in de havengeul, daarachter de Noordzee en oostwaarts het strand en de zeedijk van Malo-les-bains. Deze hele omstandige geografie zet zich schrap tegen de zee, die door de met golfplaat beglaasde buitengevel van het FRAC herleid wordt tot een veld van grijze banden, onder en boven de horizon. De horizon is de absolute maatstaf, het maaiveld is relatief. Van één kant gezien staat de loods vlak op een kaai, van een andere doemt ze op uit een kom achter de dijk.

Sinds het presidentschap van François Mitterrand, die decentralisatie bevorderde, heeft elke Franse regio een FRAC (Fond Régional d’Art Contemporain), een instelling die hedendaagse kunst aankoopt, bewaart en verspreidt, veelal door bruiklenen. Musea zijn het dus niet, veeleer opslagplaatsen en logistieke centra, hoewel ze sinds enige tijd ook toegerust worden met toonzalen. De nieuwe locatie in Dunkerque, een loods in een door de stad ingehaalde haven, past bij dit profiel. Er zijn verwante buren: weggedoken bovenop Bastion 32 ligt het LAAC, een rond een kunstcollectie opgezet museum, aan de wandeldijk van Malo ligt het Kursaal. Binnenkort start de bouw van een voetbrug, die Malo over de brede dijken van het Afvoerkanaal heen verbindt met het FRAC en de nieuwbouwwijk ernaast. Die voetbrug zal het FRAC binnendringen op de eerste verdieping, zodat het gebouw, op de meest laconiek denkbare wijze, zowel aan de hoge dijk als aan het lage dok ligt.

De geografie, de daarin ingeschreven stadsontwikkeling, de latente beeldwaarde van la Cathédrale en de missie van het FRAC liepen dus op een zeldzaam gunstige wijze samen. Maar het probleem was typologisch. Hoe kon een basilica ter grootte van een schip een geschikte plek vormen voor de opslag van zo’n 1500 kunstwerken? Er waren meer vloeren nodig dan de loods bezat, met kleinere hoogtes dan de loods bood. Vloeren bouwen in de loods wilden Lacaton & Vassal niet: de ruimte zou vernietigd worden, en meteen ook de ongekende mogelijkheden voor de nieuwe wijk en de zich verdichtende havenstad. Dus werd alles ernaast gebouwd. De loods is niet het omhulsel van het programma, maar het surplus ervan. Het typologische schema doet denken aan de Tate Modern, waar de kolossale turbinehall geflankeerd wordt door een vleugel met vloeren. Maar in de Tate maken de holle en de volle vleugel deel uit van hetzelfde gebouw, de eenheid stond bij voorbaat vast. In Dunkerque ontstond de eenheid van de tegengestelde delen door een ontwerpdaad van elementaire, archetypische kracht. Het nieuwe stapelhuis kreeg dezelfde contour als de bestaande basilica, alsof de loods eerst is opgevuld, de inhoud ervan ingepakt, eruit gehaald en teruggezet ernaast.
Er is een lange verstandhouding tussen fabrieksruimtes en hedendaagse kunst. De buitengewone ruimtematen en het aura van harde, in het leven gegronde arbeid zijn daarvoor de verklaring. Voorbeelden zijn legio; vele daarvan neigen ertoe de fabrieksruimte te dramatiseren, te monumentaliseren of te esthetiseren, min of meer naar het voorbeeld van Donald Judds Marfa, Texas, waar de uitgepuurde loodsen tot het kunstwerk behoren. Van zulke intenties tonen Lacaton & Vassal zich wars. Kunst of niet, dit is een fabriek, een logistieke draaischijf en een atelier voor occasionele productie. De in de oude scheepsloods geïnstalleerde loopkat heeft knalgeel koetswerk, zoals al die apparaten in om het even welke fabriek. Bij mijn bezoek, in de hectische dagen voor de oplevering en de vernissage van de openingstentoonstelling, gaat de loopkat af en aan: zowel de bouwvakkers die met de afbouw bezig zijn als de werklui die de tentoonstelling monteren maken er gebruik van. Het is een voorafspiegeling van het soort gebruik waarop gerekend wordt, van hoe creatie hier begrepen wordt.

De rekken waarin de kratten met kunst staan, een bestaand opslagsysteem, zijn door Lacaton & Vassal aangevuld met handige steekwagens. De buitengevel rolt en schuift in grote stalen kaders. De balustrades zijn zichtbaar op de trappen gemonteerd, met zo weinig mogelijk contactpunten. Alle wanden, op het windverband na, zijn systeemwanden, brandwerend en isolerend naar behoefte. De droge montage verkortte de werftijd, bij herinrichting zijn de kosten gering. Het betonnen casco van de uitbreiding is standaard prefab en overgedimensioneerd, voor hogere lasten dan nu nodig, met perforaties om de doorgang van leidingen toe te laten, ook waar ze nu niet nodig zijn. Overigens neemt de uitbreiding steun op de bestaande kolommen van de loods: de overmaat is een vroeger gedane investering die dankbaar wordt opgenomen. Er zijn alleen industriële componenten gebruikt, ook voor eenmalige elementen als de grote glazen vouwwanden. Op de cataloguskleur van de loopkat na zijn er alleen de kleuren van het beton, het verzinkte staal en de grijze metalen.
Eenvoudige manipulatie, gebruiksgemak, onbepaaldheid om het onvoorziene mogelijk te maken, afwezigheid van handschrift. Dit is een fabriek. Zo bouwt men een fabriek. De verzinkte dakbalken onder het beglaasde dak van de uitbreiding, met daaraan de zware doeken die zich bij hitte ontrollen en de opstijgende warme lucht naar de nokluiken voeren, ogen dan wel zwaar naast de vederlichte vakwerkspanten van de loods, maar ze zijn kennelijk buiten enige vormwil om tot stand gekomen. Toen ging het erom de grote ruimte met zo weinig mogelijk materiaal te overspannen, nu is de taak complexer. Bij dit veelzijdiger systeem hoort dit dak.

De afwegingen van Lacaton & Vassal zijn doorheen hun werk zo standvastig, dat je van een doctrine kan spreken. Het FRAC is er een schoolvoorbeeld van. In deze context en met dit programma is hun voorkeur voor industrieel bouwen plausibel. Hun gebruikelijke compositorische onverschilligheid wordt in het FRAC door het archetype overklast, en het voordeel van de overmaat wordt concreet als je de uitnodigend lege scheepsloods ziet. Maximale vrijheid met een minimum aan middelen. Groot bouwen door tussenklimaten in te sluiten. Ondergeschikt blijven aan wat er al staat. Geen tabula rasa, maar laag over laag toevoegen. Al deze maximes zet het FRAC overtuigend om. En dat een deep plan als dit zo gul met daglicht is bedeeld, is ronduit opmerkelijk.
Als bij zo’n overschot van gelijk toch hier en daar de twijfel binnendringt, moet dat ook aan de doctrine liggen. Was het wel zo’n goed idee de voetbrug van Malo binnen te halen en van voor tot achter door het gebouw te voeren? Het nadeel is niet zozeer dat deze route de tentoonstellingsruimtes van de scheepsloods verwijdert, veel meer althans dan in de Tate tussen de galerijen en de turbinehall het geval is. Wellicht volstaan de over de kloof gelegde balkonnen om de zalen op de loods te betrekken. Wel botst de doorgaande route met de inrichting van de uitbreiding, die zeer nadrukkelijk een voorkant heeft – de tentoonstellingsruimtes en kantoren, gericht naar Malo - en een achterkant – de opslagruimtes, gericht op de haven. Alleen het voorste deel van de binnenstraat is actief. Ze lijkt er zich bij neer te leggen dat ze een cul-de-sac zal worden. En inderdaad, welk voordeel zou het verhoogde maaiveld nog kunnen hebben als de stad alsnog de kaaien achter het FRAC inneemt, ver van de dijk? Dat een bouwwerk tegelijk publiek gebouw en publieke ruimte is lukt maar bij hoge uitzondering.

Meer centraal in de doctrine echter snijdt volgende vraag: waarom zouden we aannemen dat de afwezigheid van compositie een deugd is? De gevels van de uitbreiding, waar een vormloze stapel golfplaat vakken is aangevuld met in enorme ETFE kussens verpakte lucht, roepen de vraag op. De zee, de horizon en de hemel lijken te kort gedaan. Antiformalisme houdt enkel steek als antwoord op het steriele formalisme van vakgenoten. Het is net zo goed architectenjargon. Daarbuiten is het plichtsverzuim.

Dat Lacaton & Vassal in hun werk alleen lagen toevoegen, en niet wegnemen, is overigens niet helemaal waar. Er is veel démasqué in hun werk. Waar het kan schrappen ze de conventionele, betekenis dragende bekledingen. In het Palais de Tokyo stripten ze het paleis er af, bij hun renovaties van torenflats halen ze de fatsoenlijke maar banale gevels weg. Achter de glazen puien eisen alleen de tekenen van bewoning – speelgoed, kamerplanten, aandoenlijk meubilair – de betekenis op. Daarom noemt Iñaki Ábalos hen schatplichtig aan de Amerikaanse Mies. Maar Mies deed niet aan démasqué. Zijn glazen gebouwen zijn tempels. Het FRAC, dat op de Tate Modern lijkt, lijkt ook op de Nationalgallerie. Mies bouwde een kelder voor de schilderijen, met daar bovenop een schitterende, lege tempel. Lacaton & Vassal hebben naast hun stapelhuis een schitterende, lege kathedraal staan. De prachtige scheepsloods, die ze zo liefdevol hebben bewaard, maakt hun stapelhuis aanvaardbaar.

Anzeige