Campus Wordt Stad

Paul Vermeulen

De nieuwe torenschijf met studentenwoningen, ontworpen door Office Winhov (Amsterdam) en office haratori (Zürich), straalt klasse uit. Toch verheelt niets de discipline van de bouweconomie en bedroeg de kostprijs per m2 bruto slechts 1.168,- €/m2. Het gaat om meer dan de voorname materialen. De rigoureuze bouwmethodiek is omgezet in een tectonische taal. Hoezeer deze schijf ook aan de contextuele verwachtingen voldoet, haar steenachtige verfijning is nieuw voor de campus van Eindhoven.
De bouw moest snel gaan. Tussen aanvang en oplevering van dit 12.410 m2 grote gebouw zitten veertien maanden. Een BIM-expert (BDG Architecten Ingenieurs Almere) versterkte het ontwerpteam. Alles werd geprefabriceerd in het werkhuis en op de werf gestapeld, tot de badcellen toe, die met betegeling en al werden aangeleverd en, eens gestapeld, alleen nog aangesloten moesten worden. De schijf werd opgedeeld in twee gelijke vloervelden, dragend op de gevels en op een muur in het midden. Die muur bestaat eigenlijk uit muurdelen, met ertussen deuren naar de kamers en luiken naar de kokers, en erboven een liggende balk, uitkragend als een console die de vloerelementen een ruim draagvlak biedt. Dat is binnen te zien. De gevels zijn betonnen sandwich elementen, die tegelijk de draagconstructie, de isolatie en de gevelafwerking voor hun rekening nemen. Het beton aan beide zijden van de spouw werkt samen. In zo’n sandwich element, zou je denken, kan de dragende taak van de gevel makkelijker worden veraanschouwelijkt dan in de opgehangen bekledingen waar we aan gewend zijn geraakt. Maar toch zijn de veertien lagen hoge gevels veel minder laconiek dan de draagmuur in de gang.
De ontwerpers hebben de mogelijkheden uitgeput die de prefab techniek hen gaf. Bij een dergelijk aantal panelen is één mal niet genoeg. Na een aantal gietbeurten is de mal aan revisie toe en kunnen andere, afgeleide vormen worden voorbereid: bijzondere hoekelementen, hogere dakopstanden. Maar hier is meer gebeurd. De repetitieve gevel bestaat uit een afwisseling van complementaire elementen. Over de muur met grote, regelmatige openingen is een raster van lijnen gelegd. De verticalen liggen aan de rechterkant op de rand van het raam, aan de linkerkant zijn ze wat opzijgeschoven. De horizontalen vallen samen met de onder- en de bovenkant van een raam en slaan dan het raam daarboven over. Die lijnen zijn uitgevoerd als slanke, vooruittredende ribben in het beton. Hun voorzijde is gepolijst, zodat de witte marmerkorrels onder het cement vandaan komen. Naast, boven of onder een rib liggen de voegen tussen de panelen, discreet in het achterplan, overstemd door de meer belangwekkende figuur die het lijnenraster vertoont.  De verdienste is, dat de gevel geen grove stapeling van portieken is, maar een compositie van vlakken. Het samenspel tussen vlakken en lijnen wordt voortgezet in het schrijnwerk, waar grote, niet opgedeelde ramen geflankeerd worden door een bronskleurige deur met een spijlenhek ervoor.
De geveltekening herhaalt zich dus per twee verdiepingen. Iets soortgelijks hebben Winhov en haratori al gedaan in Zürich, waar ze de door Meili & Peter ontworpen Zölly woontoren van een gevel voorzagen. Het was hun eerste kennismaking met betonnen sandwich elementen. De gevelcompositie verliep per drie lagen, omdat Meili & Peter in de koppen van de toren split-levels hadden ontworpen: een dwingende reden die in Eindhoven ontbreekt. Ook in Zürich vertonen de panelen verticale en horizontale uitstulpingen, die de voegen verhullen en pilasters, dorpels en lateien evoceren. Maar de scherpere tekening die zich in Eindhoven op de dragende gevels ent, is explicieter: de slanke, licht glimmende ribben, aangegoten aan het matte vlak op de achtergrond, suggereren een raamwerk en een invulling.
Met deze onomwonden ambiguïteit belanden we in het hart van de tectonische cultuur. In zijn Studies in Tectonic Culture doorploegt Kenneth Frampton, na een uiteenzetting van de denkbeelden van onder meer Gottfried Semper, de tegenspraken waarin de architecturale transformatie van de constructieve werkelijkheid keer op keer terechtkomt. Technische beperkingen belagen de eenvoud en leiden, in het beste geval, tot betekenisvolle associaties en een ruimer, toleranter soort waarheid. De ambiguïteit van baksteen bijvoorbeeld is duidelijk. Het is zowel een uit de grond gegraven, tot dragende muren gestapelde massa als een in metselverbanden geweven scherm. De vele uitzettingsvoegen versnijden het metselwerk zelfs tot panelen.
Wingender Hovenier, zoals Winhov vroeger heette, bouwde in Nederland een reputatie op met zorgvuldige baksteenarchitectuur. Jan Peter Wingender was de bezieler van een onderzoeksproject aan de Amsterdamse Academie Bouwkunst, dat resulteerde in het boek Brick, an exacting material. In zijn inleiding, getiteld Tectonics in Contemporary Dutch Brick Architecture verkent hij hoe de spouwmuur de monolitische aspiraties van het metselwerk uitholt, en hoe de keuze voor een tectonisch enigszins gecompromitteerd materiaal contextuele redenen kan hebben. “An architect must, therefore, engage with the material in order to make a building; taking advantage of the possibilities for expression that it offers, but also taking into account the technical possibilities and limitations of the material.” Of het nu om baksteen, dan wel betonnen sandwich elementen gaat, de houding is dezelfde. “Until the point is reached where idea and material expression converge.” Zo gesteld gaat het idee de materialisering vooraf. De ambiguïteit van de door kamerhoge openingen versneden spouwmuur – tegelijk kolom, muurschijf en paneel – verkende Winhov eerder al in baksteen, in hun woontoren De Loodsen aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. De pijlers tussen de terrassen zijn onderaan brede pilasters, aangevuld met een smalle terugliggende reep, en bovenaan een breed terugliggend paneel dat bij het raam omplooit tot een ranke kolom. Het is baksteen, maar verwant met de betonnen gevels in Eindhoven.
Naast de verwarrende, ruimere tectonische waarheid zijn er ook contextuele redenen voor de gevels in Eindhoven. De campus van de Technische Universiteit werd na de oorlog gepland en gebouwd in de bocht van een waterloop, de Dommel, achter het station. Het plan toont, omringd door groen, een orthogonaal grid van wegen, met daarlangs schijfvormige, kamvormige en lage gebouwen in een open verband. Veruit de meeste gebouwen zijn ontworpen door de auteur van het masterplan, S.J. van Embden, en zijn bureau OD205. Dit zorgt voor architecturale samenhang, die pas na 1995 werd verlaten. Vandaag omsluit de ringweg dit gebied: het is een ‘inner city’ campus met ‘outer city’ kwaliteiten, zo staat te lezen in het Masterplan 2012, opgemaakt door het atelier Bouwkunde van de TU. Het analyseert de kwaliteiten van het oorspronkelijke plan en knoopt met nieuwe regels daar weer bij aan. De belijning van de woontoren, die een raamwerk en een invulling evoceert, verwijst naar de vliesgevels van van Embden. Hij is binnen dit Masterplan de eerste realisatie.
Hij staat pal oost-west georiënteerd, met zijn zuidelijke kop aan de noordelijke weg van de campus, en wijst naar het Dommeldal. Op de grotere schaal vormt hij een figuur met twee oudere, gelijkgerichte torens: hun koppen schetsen in de lucht de bocht van de Dommel. Dicht bij de weg zullen naast de toren laagbouw studentenwoningen komen, maar de uitgeschoven vorm, waarbij de schijf doormidden splijt en langer wordt op zijn langse as, verzekert zijn positie in het open landschap. Ook de alzijdige oriëntatie, met ruim opengewerkte koppen, is door het Masterplan voorgeschreven.
Het opzet van Winhov en haratori beantwoordt al deze verwachtingen met gemak. De twee gelijke vloervelden schuiven langs de centrale draagmuur zuid- en noordwaarts van elkaar weg. De sandwich panelen op de koppen zouden structureel redundant zijn, maar laten daardoor een vrijheid toe: de ramen worden rond beide hoeken omgevouwen. In de uitsprongen zitten groepswoningen: vier kamers met gedeeld sanitair en een gezamenlijke living. De gang is korter en krijgt aan beide uiteinden, bij de stijgkernen, daglicht: een grote, gedeelde loggia aan de zuidkant, een dubbelhoge liftlobby aan de noordkant. Op de begane grond zijn de stijgkernen gescheiden door een fietsenbergplaats en een collectieve ruimte, beiden ruim geopend op het landschap. Een tocht van de entree naar de liften is een tocht van de campus naar het Dommeldal, door een zaal waar je je buren zou kunnen treffen. Met die zaal, de naar de campus gekeerde loggia’s en per verdieping twee kleine livings voor diegenen die op samenwonen gesteld zijn, is door rigoureus bouwen enige collectieve marge veroverd op het spartaanse programma. En doordat de vaste elementen beperkt zijn tot de gevels en één muur, zijn andere invullingen denkbaar.
In ontwerptekeningen stond de luifel aan de ingang op kolommen: het waren de slanke ribben, bevrijd uit de panelen. Maar er is een andere uitvoering gekozen: een naar de uitkragende luifel neigende uitsnijding uit de betonnen muur. Die keuze is, bij nader inzien, waarachtiger. De sokkel is, ondanks de grote ramen, een stevige, ondubbelzinnige muur. De toren staat duurzaam verankerd in het dal. Pas daarboven, in de hoogte, verbeeldt de zware muur zich een licht raster te zijn. Van Embden zag de campus, in het begin, als een geidealiseerde fabriek. In latere fazes wou hij, met een minder abstracte architectuur, de gebruikers de hand reiken. De auteurs van het masterplan verwachten dat de nieuwe architectuur met de oorspronkelijke niet contrasteert, maar eruit evolueert. Dit nieuwe tijdperk moet iets nieuws toevoegen. Dat heeft deze toren gedaan: hij heet de campus welkom in de stad.

Anzeige