Wild denken

Paul Vermeulen

De Vylder Vinck Taillieu 1)

Architecturale ideeën ontwikkelen zich project na project. De herhaalde confrontatie met een moeilijkheid, die zich toch telkens anders voordoet, graaft onwillekeurig een diepte die, als men na een tijd terugkijkt, perspectief biedt. Het repertoire is beperkt en vooraf gegeven, maar het bewees dienst in uiteenlopende gevallen. Geschuurd en geschaafd door veelvuldig gebruik ontwikkelt het glans en diepte. Wat niet meer dan een vondst leek, een ingeving tijdens het werk, een listige opheffing van een probleem, wordt geleidelijk aan de drager van een gedachte.

In die zin is architectuur, met een term van de antropoloog Claude Lévi-Strauss, een pensée sauvage, of nog een science du concret. Ze is een kennissysteem dat tastbare objecten manipuleert, rijk aan voorgevormde beelden en arm aan abstracte begrippen, maar daarom niet minder effectief in classificerend en zelfs speculatief vermogen. Voor de antropoloog staat het wilde denken niet haaks op het wetenschappelijke denken, maar parallel eraan. Voor het praktische handelen geldt een gelijkaardig parallelisme: naast de ingenieur staat de bricoleur. Eerstgenoemde gebruikt een voorgevormde, abstracte kennis om de wereld naar een vooropgezet doel te veranderen. De laatstgenoemde daarentegen gebruikt voorgevormde objecten en vraagt zich tijdens het werk af wat hij ermee kan doen. “Le résultat est contingent, il n’y a pas de projet précis, mais des idées-force: “ça peut toujours servir, ça peut fonctionner”.  2)

Aantonen dat alle architectuur aan wild denken ontsproten is, gaat het bestek van deze tekst ver te buiten. 3) Maar het vergt weinig moeite om in het werk van Jan Devylder en zijn partners de praktijk van een bricoleur te herkennen. Als Lévi-Strauss’ analogie tussen de praktijk van het knutselen en de wetenschap van het concrete hout snijdt, moet het dus mogelijk zijn om in de contingente bricolages van hun architectuur ideeën aan te wijzen: dragende, grotendeels woordloze concepten die probleemoplossende daadkracht en anekdotische trouvaille overstijgen in een wilde speculatie over architectuur.

Enkele jaren voor de bouw van de productiestudio’s voor Les Ballets C de la B en LOD, twee theaterproducenten te Gent, zag ik de tekeningen ervan. In zekere zin was het project af. Alle grote beslissingen waren genomen. En toch was het onmogelijk toen de lezing te voorzien waartoe het gebouwde werk nu aanzet.Het waren grote, prachtige tekeningen: grijs potlood op film, waarbij het contrast tussen de open en de gesloten gevels weergegeven was als dat tussen een door enkele lijnen doorkruist blanco en een met geduldige hand opaak gemaakt vlak. De gewolkte arceringen verrieden de actieradius die duim en wijsvinger aan het potlood toestonden, zoals op een tekening van Sol Lewitt. De films waren opgehangen en wapperden zachtjes in de loft Devylder-Hofkens, waarvan het serreglas was opengeschoven. Er was een onuitgesproken, bijna idyllische symbiose tussen de terughoudendheid van de tekeningen en de soberheid van het oude metselwerk van de loft.

Wat daarna met het bij ontstaan esoterische project gebeurd is, zou men kunnen benoemen als inentingen: gecontroleerde besmettingen om het beter bestand te maken tegen het woekerende leven buiten. De studio’s dragen de kiemen van de chaos eromheen. Van de iele, in vakken verdeelde glaspui geeft hooguit de helft uit naar binnen. De andere helft is blind gemaakt vlak achter het glas, met muurvlakken in rode baksteen in opzichtige metselverbanden. Waar de muurvlakken achter het glas ontbreken ontstaat zelfs een kleine crisis, die theatraal beslecht wordt met stalen kolommen en balken, geverfd in even hard, met de baksteen complementair groen. Betonnen delen zijn er ook. De pui zelf lijkt meermaals gecorrigeerd, met opendraaiende vleugels, met her en der een uitklapbare zonwering, met een inderhaast toegevoegde raamstijl. De opklimmende trap is getooid met brutaal geverfde balusters uit de doe-het-zelf zaak, vastgemaakt op tergend lange, zich aan de vloeren vastklampende werfstempels van dezelfde kleur.
De achter deze pui ingelijste conflicten zijn geënsceneerd. De gevel is een toneel. Het blanco van de tekening is ingevuld met de onhandelbare rekwisieten van het leven, zodat ook zonder figuranten in de vitrine het tafereel zich ontrolt. Nog aannemelijker is het opheffen van de steriliteit aan de keerzijde, de evenzeer door tectonische twisten getekende binnengevel van de theaterstudio’s die de acties van acteurs en scenografen een doorleefd toile de fond biedt. Diepte komt laag over laag, zo weten theatertechnici, en de eerste laag is gezet door de architectuur. Bouwen is het eerste veelstemmige drama dat hier is ingestudeerd.

De eerste laag? Niet helemaal, want daarachter zit het blanco scherm dat ik veel vroeger in grijs potlood op film had gezien. De tekening is niet uitgewist, er is overheen getekend. Devylder begint zijn lezingen vaak met een foto die hij maakte in een koetspoort in Gent. Een muurschildering van Sol Lewitt wordt doorsneden door een elektriciteitsleiding en een paneel met deurbellen. De foto is enigszins schokkend, en soms lijkt het gniffelende, door de artistieke blasfemie geprikkelde publiek Devylders punt te missen. Want wat Devylder treft, is hoe de elektricien door Lewitts lijnen wordt gestuurd. De vorm heeft haar eigen beschadiging gestuurd. Verminkt triomfeert de vorm (Shane O’Toole dicht Devylder “een zekere wreedheid” toe). 4) Wat Les Ballets & LOD betreft ligt de conclusie voor de hand: Devylder en zijn partners waren zelf de elektriciens die de kracht van hun serene tekeningen op de proef hebben gesteld.

Opzienbarend in dit rollenspel is dat het de kunstenaar en de handwerkman als principieel gelijkwaardig toont: beiden zijn in een complexe afhankelijkheid gewikkelde alter ego’s van de architect. De hand pakt het potlood of het truweel. De kunstenaar zet de lijnen uit, de uitvoerder zet de tekening voort. Bouwen is tekenen. Zelfs de boorhamer in een muurtekening zetten ziet Devylder als een creatieve daad. Daarom ook is de transformatie die Les Ballets & Lod al bouwend onderging, van broze, Japans aandoende volumes tot met tectonisch gekwetter gevulde volières, geen creatieve ommezwaai, maar een voltooiing. Na het conceptuele skelet kwamen metselaars, schrijnwerkers en anderen het werk afmaken.

Een vloer trekt een streep in de muur, een balk repliceert. De maat van de latei ontwijkt de maat van het metselblok. Aan de keerzijde verschijnt als een smal motief het ingevlochten metselwerk. In de houtplaat is voor de spanbout een sleutelgat gezaagd. De kunst om met opbouwleidingen ruimtetekeningen te maken, een liefhebberij van Sigurd Lewerentz, wordt tot grote hoogten gevoerd. Dat bouwen tekenen is - nu eens een compositie, dan weer een patroon - bewijst het portfolio van Devylder Vinck Tailleu (dvvt) 5) met overgave. Het is geen vrijblijvende stelling. Het grafische oog stuurt het bouwen. Spiegeltjes in de neggen heffen de dikte op van de muren, tot ze verschijnen als de vlakken die ze waren op papier. De muur offert zijn zwaarte op in het belang van de tekening. Ondanks het veelvuldige gebruik van ruwe bouwmaterialen als naakte baksteen, schoon beton en opbouwleidingen, ontbreekt elke ontologische pretentie van zuiverheid, als zou de naakte bouwkundige essentie morele superioriteit bezitten. Zonder compositie en patroon kan het naakte bouwen niet doorgeslikt worden, zoals zonder sashimi de rauwe vis niet eetbaar is.

Veeleer het tegenovergestelde gebeurt: door compositie en patroon komen de naakte bouwmaterialen op gelijke hoogte met wat doorgaans de laatst aangebrachte, decoratieve lagen zijn. In de dierenkliniek Malpertuus te Heusden deed, bij wijze van spreken, de metselaar het behang: de tekening in het metselwerk is opgehoogd ND1 door een bijna kokette afwisseling van geaggregeerde en gebakken stenen, en van licht en donker gekleurd voegsel. Door een aseptische vernislaag zijn de metselstenen zijdezacht geworden. In de nog in aanbouw verkerende woning BM te Merelbeke is het beton naar believen in verschillende mallen gestort, zodat de ringvormige villa pronkt met een somptueuze waaier van afdrukken. Het beton is niet sober, maar chique. In al deze gevallen is de afwisseling minstens gedeeltelijk arbitrair, gestuurd door smaak of speldrift ND2 : impulsen die meestal voorbehouden blijven aan de decorateur. De tectonische hiërarchie is afgeschaft. Er is geen ruw- en afbouw meer, elke bouwdaad schept decorum.
De limiet van de anti-hiërarchische creatie, het verdwijnpunt van het tekenend bouwen is de algehele oplossing van de ruimte, het uiteenvallen in autonome bouwcomponenten die een willekeurige plaats innemen in de oneindige verzameling objecten. Een rek, een muur, een kunstwerk, de vlam in de haard, twee koperen buisjes, stapels boeken, een tros lampen, een stoel, een trap, een andere stoel: alles is gelijkwaardig. De architectuur, tot knappens toe gespannen, verdwijnt tussen de attributen van het leven. De ruimte lost op in het welig tierende stilleven van het interieur.  Deze limiet komt binnen handbereik in de woning Devylder-Vinck te Gent. (Het is verbazend en veelzeggend dat de vederlichte en de overvolle architectuur hetzelfde streefdoel delen.)

Laatstgenoemde woning ligt echter ook op een heel andere manier in het verlengde van Les Ballets & LOD. Want als de theaterstudio’s provocerend zijn, is dat niet alleen te wijten aan de rücksichtloze proliferatie die het broze schema heeft opgevuld. Werkelijk provocerend – en de martelgang om het project vergund te krijgen levert hiervoor het bewijs - is de stedenbouwkundige inplanting, en die was in de vroege tekeningen al bepaald. Twee identieke volumes bezetten elk een hoek van het terrein alsof ze de rooilijn niet hebben opgemerkt. Door hun open en gesloten vlakken zijn ze vaag antropomorf, met een rug, een gezicht en afwijkende bijgedachten: een boven de hoge rug uittorenend janusgezicht kijkt stiekem achterom, een reusachtig cyclopenoog in de flank loert opzij. Zo verliezen ze, hoewel ze elkaar de rug toekeren, de ander niet uit het oog. Beiden nemen met hetzelfde verlegen gebaar wat afstand van de om hen heen dringende gebouwen. Op één hagelwit front na (een schoorvoetende toegeving aan de rooilijn) is hun kledij armoedig en theatraal gescheurd: enkele ruitleien zijn uit het patroon verwijderd. “De hele plaats ademt een zeker melancholisch, aan weer en wind blootgesteld verval uit.” 6) De latente spanning tussen beiden, de diepte die hen scheidt, hun fysieke reactie op de perceelsgrenzen die ze pretenderen niet te zien laten er geen twijfel over bestaan: opnieuw, dit is theater. Daar staan Vladimir en Estragon, of twee van die virtuoos onhandige, schokkerige dansers waar Alain Platel, de bezieler van Les Ballets C de la B zo van houdt.

Natuurlijk zijn er goede redenen waarom dit perceel behandeld werd als een scène. De twee productiehuizen niet samenpersen maar als individuen behandelen spaarde ruimte en budget en voelde volkomen natuurlijk aan. Op de open ruimte tussen hen in zou een derde gebouw komen, wat de miskenning van de rooilijn minder flagrant had gemaakt. Maar het is vooral dat de redenen om met het gezicht vooruit op de rooilijn te gaan staan ontbreken. Het is een vreemde plek. Aan de voorkant loopt een kanaal achter tuinen, aan de zij- en de achterkant treffen we de bijgebouwen van een kloosterdomein dat het nooit tot samenhang heeft gebracht. De codes en conventies waarop stedelijk bouwen zich beroept zijn hier niet doorgedrongen, tenzij als een krampachtig verzoek om in dit restantje wildernis de schijn op te houden. Dan kan men zich maar beter overgeven aan de bohème.

Ontregelde percelen zijn legio in de door particulier eigenaarschap getekende Belgische steden, waar de stedenbouwkundige regels hardnekkig maar zwak zijn, en de uitzonderingen talrijk. Les Ballets & Lod verdedigt de uitzondering. Zou zo’n benadering kans maken als stedenbouwkundige regel? Dvvt’s voorstel voor een bouwblok in Ledeberg, een Gentse voorstad is alvast een poging. Het is een stereotyp bouwblok met smalle rijhuizen en smalle tuinen, zoals dvvt er vele heeft verbouwd. Door in de ingesloten achtertuinen te parkeren – een wens van de bewoners – worden de tuinen scheefgetrokken en wordt de relatie tussen woning en tuin minder voorspelbaar, op een wijze die door architectuur alleen niet mogelijk zou zijn.

Dit brengt ons terug bij de woning Devylder-Vinck, om de hoek van een zijstraatje van een negentiende-eeuwse burgerlijk-elegante straat in Gent. Net daarachter is een volkomen onwaarschijnlijk perceel ontstaan. Het is het resultaat van een onteigeningspoging om het zijstraatje te verbreden en generaties lang voortwoekerende marginale transacties. Op deze prepared canvas werd de kaleidoscopische ontbinding van een woning voltrokken. Zoals de bouwcomponenten onderduiken in de volheid van het interieur, zo verdwijnen de constructies in een limbo van serres en tuinen zonder voor of achter. Het huis is opgelost in een omvattend woonmilieu, begrensd door de grillige perceelscontour. De stedenbouwkundige situatie leverde de uitzondering. Maar de architectuur heeft ze omarmd en gecelebreerd.

(1) Deze tekst is een uittreksel uit een binnenkort te verschijnen monografisch essay over Devylder Vinck Tailleu architecten

(2) Liliane Fendler-Bussi, Ruse et Bricolage. http://www.ac-nice.fr/massena/clubs/philo/pdf/ruseetbricolage.pdf  Ook: Ton Lemaire, Claude Levi-Strauss. Tussen mythe en muziek. Ambo, Amsterdam, 2008

(3) Deze intuïtie dank ik aan de lessen architectuurtheorie van André Loeckx aan de KU Leuven, eind van de jaren ’80. 

(4) Shane O’Toole, Avonturen in Wonderland. in:NN, Architectuur in Vlaanderen. Jaarboek 2008-2009 – editie 2010. Vlaams Architectuurinstituut, Antwerpen, 20105)

(5) Dit portfolio bestaat voornamelijk uit werk van Trice Hofkens, Jan Devylder, Inge Vinck en Jo Tailleu, alleen of in diverse combinaties.

(6) Shane O’Toole, o.c.

Module translation not found: LABEL_AD